ECLI:NL:CRVB:2022:312
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onvoorwaardelijk ontslag wegens plichtsverzuim niet evenredig geacht
Appellant, werkzaam als ambtenaar bij de gemeente sinds 2005, kreeg op 8 januari 2019 onvoorwaardelijk ontslag opgelegd wegens plichtsverzuim na een incident op 17 oktober 2018 waarbij hij een collega een schouderduw gaf en met een bladblazer vuil naar deze collega blies. Het college handhaafde dit besluit na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het college bevoegd was om een disciplinaire straf op te leggen, aangezien aannemelijk is dat appellant een aandeel had in de confrontatie en onvoldoende heeft gedaan om fysiek contact te vermijden. Het blazen met de bladblazer werd minder zwaar gewogen omdat opzet niet is vastgesteld.
De Raad stelt echter vast dat het opleggen van de zwaarste disciplinaire straf, onvoorwaardelijk ontslag, niet evenredig is aan het feitelijke plichtsverzuim, dat in essentie neerkomt op één enkele schouderduw. Gezien het eerdere ongewenste gedrag van appellant was een zwaardere straf wel aangewezen, maar ontslag is disproportioneel.
Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het college veroordeeld in de proceskosten van appellant en wordt bepaald dat tegen de nieuwe beslissing alleen bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
Uitkomst: Het onvoorwaardelijk ontslag wordt vernietigd omdat het niet evenredig is aan het plichtsverzuim.