Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:2861

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 oktober 2022
Publicatiedatum
5 januari 2023
Zaaknummer
22/2140 PW-W
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen behandelend rechter wegens vermeende vooringenomenheid

Verzoeker stelde hoger beroep in tegen uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam en diende tijdens het hoger beroep een wrakingsverzoek in tegen de behandelend rechter wegens vermeende vooringenomenheid.

De Raad onderzocht het verzoek en concludeerde dat de behandelend rechter onpartijdig is gebleven, ondanks dat zij de deurwaarder als partij had aangemerkt en pogingen deed tot het zoeken van oplossingen voor de onderliggende geschillen. De procesbeslissing om de deurwaarder op te roepen en de kritische benadering van de rechter vormden geen aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Ook de bewering van onregelmatige bemoeienis door de griffie werd niet onderbouwd en kon het wrakingsverzoek niet ondersteunen. De Raad oordeelde dat de vrees voor vooringenomenheid niet objectief gerechtvaardigd was en wees het wrakingsverzoek af.

Er werd geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen. De beslissing werd uitgesproken door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 24 oktober 2022.

Uitkomst: Het verzoek om wraking van de behandelend rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.

Uitspraak

22/835 PW-W, 22/837 PW-W, 22/838 PW-W, 22/2140 PW-W
Datum beslissing: 24 oktober 2022
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 20 december 2021, 21/4957 en 21/5356 (aangevallen uitspraken), in gedingen tussen verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) en tussen verzoeker en [deurwaarder] (deurwaarder).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2022 door het lid van de enkelvoudige kamer J.N.A. Bootsma (behandelend rechter).
Bij brief van 18 augustus 2022 heeft verzoeker een verzoek om wraking tegen de behandelend rechter ingediend.
De behandelend rechter heeft op het wrakingsverzoek gereageerd en meegedeeld niet in de wraking te berusten.
Verzoeker en de behandelend rechter zijn uitgenodigd om te worden gehoord ter zitting van de Raad op 14 oktober 2022. Verzoeker is daar verschenen. De behandelend rechter heeft te kennen gegeven niet te zullen verschijnen.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Verzoeker heeft naar voren gebracht dat de behandelend rechter volgens hem vooringenomen is. Hij meent dat de behandelend rechter de voor de zitting opgeroepen deurwaarder ten onrechte als partij heeft aangemerkt. Hierdoor heeft zij, zo begrijpt de Raad het standpunt van verzoeker, zijn beroepen behandeld op een manier waardoor hij wordt afgehouden van zijn rechten. Voor een deel komt dat volgens verzoeker ook door bemoeienis van de griffie van de Raad met zijn zaken. Voor de alternatieve wijze van behandeling heeft hij bovendien geen toestemming gegeven.
3.1.
Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter moet verder het uitgangspunt zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende daarover bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).
3.2.1.
Uit het proces-verbaal van de zitting komt naar voren dat – zoals verzoeker terecht heeft gesteld – de behandelend rechter heeft geprobeerd (ook) te zoeken naar een mogelijke oplossing voor de problemen die achter de geschillen tussen verzoeker en het college liggen, waarbij ook de deurwaarder is betrokken. Uit die poging kan niet worden afgeleid dat zij over de voorliggende geschillen niet onbevooroordeeld uitspraak zou kunnen doen.
3.2.2.
De beslissing om de deurwaarder, die bij een van de aangevallen uitspraken partij was, op te roepen is een procesbeslissing. Op geen enkele wijze kan uit die beslissing en wat daarover naar voren is gebracht in het verzoek een aanwijzing van vooringenomenheid van de behandelend rechter worden afgeleid. De mogelijk daartoe bestaande vrees is in ieder geval niet objectief gerechtvaardigd.
3.2.3.
Dat de behandelend rechter aan verzoeker heeft voorgehouden dat een uitspraak over zijn beroepen geen oplossing kan bieden voor de geschillen met de gemeente en de ziektekostenverzekeraar, is evenmin een aanwijzing voor vooringenomenheid. Een kritische benadering van een voorliggend geschil en het bespreken van (on)mogelijkheden om dat op te lossen, behoort tot de taak van de rechter.
3.3.
De niet onderbouwde stelling van verzoeker dat sprake zou zijn van onregelmatige bemoeienis door de griffie van de Raad met de beroepen van verzoeker, wat daarvan verder ook zij, kan niet leiden tot het oordeel dat sprake is van (schijn van) vooringenomenheid van de behandelend rechter.
3.4.
Wat is overwogen 3.1 tot en met 3.3 betekent dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze beslissing is gegeven door E. Dijt als voorzitter en T. Dompeling en S.B. SmitColenbrander als leden, in tegenwoordigheid van S.C. Scholten als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2022.
(getekend) E. Dijt
(getekend) S.C. Scholten