ECLI:NL:CRVB:2022:2852
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering Wajong-uitkering wegens hennepkwekerij en schending inlichtingenplicht
Appellante ontvangt sinds 2006 een Wajong-uitkering. In juli 2017 werd in haar woning een hennepkwekerij met 268 planten aangetroffen. Het Uwv stelde vast dat zij over de periode van december 2016 tot juli 2017 onterecht een te hoge uitkering ontving, omdat zij inkomsten uit de hennepkwekerij niet had gemeld. Het Uwv trok de uitkering in en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij niet betrokken was bij de kwekerij of inkomsten daaruit had genoten. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij tijdens een deel van de periode op vakantie was en dat de strafrechter haar weliswaar schuldig achtte aan het hebben van een hennepkwekerij, maar zonder oplegging van straf of maatregel en zonder toewijzing van ontnemingsvordering.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Het Uwv heeft aannemelijk gemaakt dat er meerdere oogsten zijn geweest en dat appellante vanaf februari 2017 wist van de kwekerij. Het feit dat het Openbaar Ministerie een beperkte periode strafrechtelijk behandelde, doet niet af aan de civielrechtelijke beoordeling. De boete is evenredig en het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking, terugvordering en boete worden bevestigd.