ECLI:NL:CRVB:2022:278
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling nabestaandenuitkering ex-echtgenoot ondanks hoger alimentatiebedrag
Appellante was ex-echtgenote van een overleden verzekerde en had een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) aangevraagd. De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde de uitkering vast op €700 per maand, conform het echtscheidingsconvenant en de echtscheidingsbeschikking, maar betaalde deze niet uit vanwege het hogere inkomen van appellante.
Appellante voerde aan dat de partneralimentatie in werkelijkheid €1.200 bedroeg en dat ook de door haar ex-echtgenoot betaalde hypotheekkosten als uitkering tot levensonderhoud moesten worden aangemerkt. De Svb en de Raad oordeelden echter dat het overeengekomen bedrag van €700 leidend is en dat de hypotheekbetalingen niet ten goede kwamen aan appellante’s levensonderhoud.
De Raad maakte een onderscheid tussen het verleden en de toekomst bij de toetsing van het besluit en concludeerde dat het bestreden besluit niet onmiskenbaar onjuist was. De hogere alimentatiebedragen en fiscale aftrekbaarheid veranderden hieraan niets. De uitkering werd terecht vastgesteld en niet uitgekeerd vanwege de IVA-uitkering van appellante.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de nabestaandenuitkering terecht is vastgesteld op €700 per maand en niet wordt uitbetaald vanwege de hogere IVA-uitkering van appellante.