ECLI:NL:CRVB:2022:2761
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ingangsdatum WW-uitkering na vaststellingsovereenkomst zonder eerdere schriftelijke overeenstemming
Appellante was in dienst bij een werkgever op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst en heeft op 17 januari 2019 een vaststellingsovereenkomst ondertekend waarin het dienstverband per 16 december 2018 werd beëindigd. Het Uwv kende een WW-uitkering toe met ingang van 1 maart 2019, rekening houdend met een opzegtermijn van één maand vanaf de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst. Appellante maakte bezwaar tegen deze ingangsdatum en stelde dat er al begin december 2018 overeenstemming was bereikt over de beëindiging, maar dat de vaststellingsovereenkomst door omstandigheden pas in januari 2019 werd getekend.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat het schriftelijkheidsvereiste van artikel 19, derde lid, aanhef en onder a, van de WW niet was voldaan zonder schriftelijk bewijs van eerdere overeenstemming dan de ondertekening op 17 januari 2019. De Raad onderschreef dit oordeel en stelde vast dat mondelinge verklaringen niet voldoen aan het schriftelijkheidsvereiste. Zonder schriftelijk bewijs van eerdere overeenstemming kan niet worden uitgegaan van een eerdere datum dan de ondertekening.
Het hoger beroep van appellante faalde, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van schriftelijke overeenstemming voor het bepalen van de ingangsdatum van een WW-uitkering bij beëindiging van een dienstverband met wederzijds goedvinden.
Uitkomst: De ingangsdatum van de WW-uitkering blijft 1 maart 2019, na afloop van de opzegtermijn vanaf de datum van ondertekening van de vaststellingsovereenkomst.