Appellante ontving bijstand vanaf oktober 2016 en werd geconfronteerd met intrekking en terugvordering wegens niet-melding van een woning in Turkije als vermogen. Het college rekende de volledige waarde van de woning toe aan appellante, ondanks een echtscheidingsconvenant en een Turks vonnis dat haar ex-partner recht gaf op de helft van de waarde. De Raad oordeelde dat appellante in de periode tot 16 november 2016 als enige eigenaar stond ingeschreven en feitelijk over de woning beschikte, waardoor het college de woning geheel tot haar vermogen mocht rekenen.
Voor de periode vanaf 17 november 2016, toen de woning werd overgedragen aan haar moeder, kon het college niet aannemelijk maken dat appellante over vermogen boven de vermogensgrens beschikte. De enkele vermelding van een koopprijs in de overdrachtsakte was onvoldoende bewijs dat appellante de koopprijs had ontvangen. De Raad vernietigde daarom het besluit tot intrekking en terugvordering over deze periode.
Verder werd het beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen omdat het college geen toezegging had gedaan die rechtvaardigde dat appellante mocht vertrouwen op het niet intrekken van de bijstand. Ook werd geoordeeld dat schulden uit het echtscheidingsconvenant niet volledig konden worden toegerekend aan appellante omdat zij haar ex-partner in vrijwaring kan roepen.
De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en droeg het op een nieuw besluit te nemen over de intrekking en terugvordering voor de periode na overdracht van de woning, met inachtneming van deze uitspraak. Tegen dit nieuwe besluit kan alleen beroep bij de Raad worden ingesteld.