ECLI:NL:CRVB:2022:2497
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens inkomsten boven norm ondanks beroep op vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel
In deze zaak gaat het om de intrekking van bijstand over de periode van 14 augustus 2014 tot en met 6 februari 2016. Appellant ontving bijstand als alleenstaande, terwijl hij vanaf 14 augustus 2014 een gezamenlijke huishouding voerde met appellante. Het college wees aanvragen voor bijstand als gehuwden af vanwege het ontbreken van een verblijfsrecht van appellante.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het besluit tot intrekking van de bijstand omdat appellante in de periode in geding werkzaamheden verrichtte voor het bedrijf van appellant en zij redelijkerwijs kon beschikken over een inkomen boven de bijstandsnorm. Omdat zij een gezamenlijke huishouding voerden, kon appellant ook over deze inkomsten beschikken, waardoor hij geen recht op bijstand had.
Appellanten voerden aan dat het college op de hoogte was van de situatie, dat appellante werkte tegen uitgestelde betaling en dat zij mochten vertrouwen op het recht op bijstand. Dit beroep op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel werd verworpen omdat appellanten geen aannemelijk bewijs leverden voor toezeggingen of uitlatingen van het college.
Ook de stelling dat appellante niet redelijkerwijs over haar salaris kon beschikken, werd niet gevolgd. De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin werd vastgesteld dat appellante wel degelijk over inkomsten boven de norm kon beschikken. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellant kon beschikken over inkomsten boven de norm.