ECLI:NL:CRVB:2022:2412
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens ondernemerschap en schending inlichtingenplicht
Appellanten ontvingen sinds januari 2018 bijstand, maar het college stelde na onderzoek vast dat appellant sinds april 2018 als ondernemer actief was met een winkel in outlet- en tweedehands kleding. Ondanks meerdere waarnemingen en een gesprek waarin appellant verklaarde werkzaamheden te verrichten, werd de bijstand per mei 2019 ingetrokken en teruggevorderd vanwege schending van de inlichtingenplicht.
Appellanten dienden in juni 2019 een nieuwe aanvraag in, die het college afwees omdat niet kon worden vastgesteld of zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden. Appellant voerde aan dat hij geen inkomsten had en dat verklaringen tijdens het gesprek op het gemeentehuis niet als bewijs mochten worden gebruikt, maar deze verweren werden verworpen.
De Raad oordeelde dat de inschrijving bij de Kamer van Koophandel en de verrichte werkzaamheden voldoende bewijs zijn van ondernemerschap en dat het niet melden hiervan een schending van de inlichtingenplicht vormt. Daarnaast kon appellant geen deugdelijke administratie overleggen om het recht op bijstand aannemelijk te maken.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de aanvraag terecht was afgewezen en dat het college de bijstand mocht intrekken en terugvorderen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag en de intrekking van de bijstand werden bevestigd vanwege ondernemerschap en schending van de inlichtingenplicht.