ECLI:NL:CRVB:2022:2397
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.J.T. van den Corput
- J.T.H. Zimmerman
- L.M. Tobé
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag op staande voet wegens toerekenbaar plichtsverzuim politieambtenaar
Appellant was sinds 2010 werkzaam bij de politie en werd in 2019 ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim. Dit volgde op een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen, waarbij hij werd vrijgesproken. Het disciplinaire onderzoek toonde echter dat appellant onvoldoende openheid gaf over verdachte financiële transacties en tapgesprekken, waardoor twijfel bleef bestaan over zijn integriteit.
De korpschef legde hem ontslag op staande voet op, wat bij bezwaar deels werd bevestigd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het bestuursrechtelijke besluit de onschuldpresumptie schond, omdat hij strafrechtelijk was vrijgesproken. De Raad oordeelde dat er geen voldoende verband was tussen strafrechtelijke vrijspraak en het disciplinaire verwijt van gebrek aan openheid.
Verder concludeerde de Raad dat appellant zich schuldig had gemaakt aan toerekenbaar plichtsverzuim, omdat hij ondanks herhaalde verzoeken geen transparantie bood. Zijn beroep op verminderde toerekenbaarheid wegens PTSS slaagde niet wegens gebrek aan medische onderbouwing. De opgelegde straf van ontslag was proportioneel gezien de ernst van het plichtsverzuim en de eisen van integriteit binnen de politie.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het ontslag op staande voet wegens toerekenbaar plichtsverzuim.