ECLI:NL:CRVB:2022:2323

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 oktober 2022
Publicatiedatum
31 oktober 2022
Zaaknummer
20 / 3360 ZVW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 ZvwArt. 9b ZvwArt. 1.2.1 Wet langdurige zorgArt. 5:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete wegens niet tijdig afsluiten zorgverzekering ondanks adresonderzoek

Appellant werd door het CAK op 14 juni 2019 schriftelijk aangemaand om binnen drie maanden een zorgverzekering af te sluiten. Omdat hij hier niet aan voldeed, legde het CAK op 14 november 2019 een boete van €402,24 op. Appellant maakte bezwaar, stellende dat hij vanwege een adresonderzoek niet als ingezetene kon worden aangemerkt en daarom niet verzekeringsplichtig was. Ook stelde hij dat het CAK na afronding van het adresonderzoek een nieuwe termijn had moeten stellen.

De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat appellant zelf verantwoordelijk was voor een juiste adresregistratie en tijdige verzekering. Het adresonderzoek maakte niet dat appellant niet als ingezetene werd beschouwd, en hij had voldoende tijd gehad om zijn zaken te regelen. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. Uit het dossier bleek dat het adresonderzoek niet betekende dat appellant niet als ingezetene gold. De Raad stelde dat appellant ruim voor het adresonderzoek een verzekering had kunnen afsluiten en dat het CAK op grond van de wet verplicht was een boete op te leggen bij niet tijdig afsluiten. Er was geen grond om een nieuwe termijn toe te kennen na afronding van het adresonderzoek.

Het hoger beroep werd afgewezen en de boete gehandhaafd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De boete wegens het niet tijdig afsluiten van een zorgverzekering wordt bevestigd.

Uitspraak

20.3360 ZVW

Datum uitspraak: 26 oktober 2022
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 september 2020, 20/710 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)

CAK

PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld.
CAK heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2022. Namens appellant is [gemachtigde] verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door E. Morsch.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
CAK heeft appellant op 14 juni 2019 schriftelijk aangemaand om een zorgverzekering op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) af te sluiten. Daarbij heeft CAK appellant er op gewezen dat hem een boete zal worden opgelegd als hij zich niet binnen drie maanden heeft verzekerd.
1.2.
Bij besluit van 14 november 2019 heeft CAK aan appellant een boete van € 402,24 opgelegd, omdat hij heeft verzuimd binnen drie maanden na de aanmaning een zorgverzekering in de zin van de Zvw af te sluiten.
1.3.
Bij besluit van 24 januari 2020 (bestreden besluit) heeft CAK het bezwaar tegen het besluit van 14 november 2019 ongegrond verklaard. CAK heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant zelf verantwoordelijk is voor een juiste adresregistratie en voor het tijdig afsluiten van een zorgverzekering. Niet is gebleken dat appellant er alles aan heeft gedaan om een zorgverzekering af te sluiten, hoewel hij hiervoor voldoende tijd heeft gekregen. Dat appellant niet tijdig een zorgverzekering heeft afgesloten, komt voor zijn eigen rekening en risico.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen. CAK heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de brief van 14 juni 2019 daadwerkelijk ter post is bezorgd. Appellant heeft vervolgens niet aannemelijk gemaakt dat aan de ontvangst van deze brief op zijn adres redelijkerwijs kan worden getwijfeld. Verder maakt de omstandigheid dat appellant vanwege een adresonderzoek geen zorgverzekering kon afsluiten, niet dat het niet tijdig afsluiten van een zorgverzekering hem niet is te verwijten. Het is immers de eigen verantwoordelijkheid van appellant om te zorgen voor een juiste adresregistratie. Het lag dan ook op de weg van appellant om, na weigering van de zorgverzekering, zo snel mogelijk contact op te nemen met de gemeente om zijn adresregistratie alsnog in orde te maken. De in de brief genoemde termijn van drie maanden gaf appellant voldoende tijd om zijn zaken op orde te brengen. Dat appellant dit heeft nagelaten, komt voor zijn rekening.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft daartoe primair aangevoerd dat hij in de periode van 23 augustus 2019 tot 5 november 2019 niet als ingezetene kon worden aangemerkt en niet verzekeringsplichtig was, omdat hij in die periode uitgeschreven was uit de Basisregistratie Personen (BRP).Verder heeft appellant aangevoerd dat hem niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zorgverzekering heeft afgesloten. Vanwege het adresonderzoek van de gemeente kon zorgverzekeraar Bewuzt hem eind augustus/begin september niet inschrijven. CAK had ten slotte na de afronding van het adresonderzoek op 5 november 2019 een nieuwe termijn moeten stellen om een zorgverzekering af te sluiten. Appellant heeft zich op 17 december 2019 opnieuw aangemeld bij Bewuzt en alsnog een zorgverzekering afgesloten.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Uit het dossier blijkt dat de gemeente Amsterdam in de periode van 23 augustus 2019 tot 5 november 2019 onderzoek heeft verricht naar het verblijf van appellant op het BRP-adres [Adres] in [plaats] . Een dergelijk onderzoek maakt niet dat degene om wie het gaat niet of niet meer als ingezetene in de zin van de Zvw is te beschouwen. Ingezetene in de zin van deze wet is degene die in Nederland woont. Verwezen wordt naar artikel 2, eerste lid, van de Zvw in verbinding met artikel 1.2.1 van de Wet langdurige zorg. Dat appellant ten tijde van belang niet feitelijk in Nederland woonde is gesteld noch gebleken. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
4.2.
Appellant heeft niet voldaan aan de aanmaning om binnen de gestelde termijn van drie maanden een zorgverzekering af te sluiten, zodat CAK op grond van artikel 9b, eerste lid, van de Zvw gehouden was om hem een boete op te leggen. Het betoog van appellant dat de beboete gedraging hem niet kan worden verweten, als bedoeld in artikel 5:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, slaagt niet. De aanmaning dateert van 14 juni 2019, zodat appellant zich ruim voor aanvang van het adresonderzoek op 23 augustus 2019 tot een zorgverzekeraar had kunnen wenden. Ook had appellant zich naar aanleiding van het bericht van Bewuzt tot CAK kunnen wenden voor advies. Verder onderschrijft de Raad de overweging van de rechtbank dat een juiste registratie in de BRP de eigen verantwoordelijkheid van appellant is en dat de problemen hiermee voor zijn risico komen. Er bestaan dus geen aanknopingspunten voor het oordeel dat CAK na afronding van het adresonderzoek appellant een nieuwe termijn van drie maanden had moeten stellen voor het afsluiten van een zorgverzekering.
4.3.
Het voorgaande betekent dat er geen aanleiding is om te oordelen dat CAK geen boete aan appellant mocht opleggen. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en D.S. de Vries en A.E. Dutrieux als leden, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2022.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) R. van Doorn