Appellant, met psychiatrische aandoeningen en verslavingsproblematiek, verbleef sinds oktober 2018 in een noodopvanglocatie voor verslaafden en stond op een wachtlijst voor een omslagwoning. Hij vroeg het college om wijziging van de maatwerkvoorziening omdat de opvanglocatie niet geschikt was voor zijn situatie. Het college wees dit verzoek bij besluit van 12 november 2019 af, stellende dat de opvang en verslavingsbehandelingen passend waren.
De voorzieningenrechter van de rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat appellant zich tot de civiele rechter moest wenden voor een oordeel over de opvang. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, stellende dat de opvang niet adequaat was en dat de bestuursrechter hierover moest oordelen.
De Raad oordeelde dat appellant wel degelijk procesbelang had en dat de voorzieningenrechter ten onrechte had geoordeeld dat de civiele rechter bevoegd was. De Raad stelde vast dat de opvang in de noodopvanglocatie, waar appellant werd blootgesteld aan drugsgebruik en zonder stabiele huisvesting, geen passende bijdrage leverde aan zijn herstel en zelfstandigheid.
Hoewel het college niet verplicht was een omslagwoning te verstrekken, had het wel een passende opvang moeten bieden. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de voorzieningenrechter, herroept het oorspronkelijke besluit en veroordeelde het college in de proceskosten. Omdat appellant inmiddels een woning heeft, gaf de Raad geen opdracht tot een nieuwe beslissing op bezwaar.