ECLI:NL:CRVB:2022:2102
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen terugwerkende kracht bij toekenning bijstand wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant verbleef van september 2017 tot augustus 2019 in detentie in Spanje en vroeg bijstand aan met ingang van 13 augustus 2019. Het college stelde de aanvraag buiten behandeling en handhaafde dit besluit na bezwaar. Appellant stelde geen beroep in tegen deze beslissing.
Later vroeg appellant opnieuw bijstand aan met ingang van 27 november 2019, welke aanvraag het college aanvankelijk afwees, maar later alsnog toekende met ingang van die datum. De rechtbank vernietigde het besluit voor zover het college geen kostenvergoeding toekende.
In hoger beroep stelde appellant dat bijzondere omstandigheden, zoals zijn detentie in het buitenland, een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen. De Raad oordeelde dat het verblijf in het buitenland geen bijzondere omstandigheden oplevert, omdat appellant zich na terugkeer tijdig had kunnen melden en geen beroep had ingesteld tegen eerdere besluiten. Daarom is geen terugwerkende kracht toegekend.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De bijstand wordt niet met terugwerkende kracht toegekend vanwege het ontbreken van bijzondere omstandigheden.