De Centrale Raad van Beroep behandelde het hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake de intrekking van een indicatiebesluit door het CIZ. Appellante had een indicatie voor zorgzwaartepakket VG07, later omgezet naar een zorgprofiel VG met intensieve begeleiding. Het CIZ trok het indicatiebesluit in en wijzigde het zorgprofiel naar een minder intensieve begeleiding, waartegen appellante bezwaar maakte.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad oordeelde anders. De Raad stelde vast dat het CIZ ten onrechte het besluit tot intrekking baseerde op het niet langer voldoen aan de toegangscriteria van artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz. Volgens vaste jurisprudentie kan intrekking alleen gebaseerd worden op het feit dat de verzekerde niet langer is aangewezen op de geïndiceerde zorg, zoals bedoeld in artikel 3.2.4, aanhef en onder b, van de Wlz.
De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Het CIZ werd opgedragen binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, waarbij het de zorgbehoefte van appellante opnieuw moet onderzoeken en bepalen of zij nog op de geïndiceerde zorg is aangewezen. Tevens werd bepaald dat tegen deze nieuwe beslissing alleen beroep bij de Raad kan worden ingesteld. Het CIZ werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.