Betrokkene was op grond van een besluit van 16 augustus 2013 geïndiceerd voor zorgzwaartepakket 6VG. Het CIZ trok dit besluit op 16 december 2016 in en stelde dat betrokkene niet langer een verstandelijke handicap had, waardoor hij niet meer voor Wlz-zorg in aanmerking kwam. Betrokkene maakte bezwaar, dat door het CIZ ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het bestreden besluit, omdat de medische adviezen onvoldoende inzichtelijk waren en het CIZ zich niet mocht baseren op het ontbreken van een verstandelijke handicap als grond voor intrekking.
In hoger beroep stelde het CIZ dat het bevoegd was het indicatiebesluit te herzien op grond van artikel 3.2.4, aanhef en onder b, van de Wlz, omdat betrokkene niet langer op de geïndiceerde zorg zou zijn aangewezen. De Raad oordeelde dat het CIZ zich niet had gebaseerd op een onderzoek naar de zorgbehoefte, maar uitsluitend op het ontbreken van een verstandelijke handicap, wat volgens de wet geen grond is voor intrekking. De rechtbank had dit miskend door het besluit te vernietigen op verkeerde gronden, maar de uitspraak werd bevestigd met verbetering van de motivering.
De Raad veroordeelde het CIZ in de proceskosten van betrokkene en legde een griffierecht op. Hiermee is bevestigd dat het CIZ alleen bevoegd is een indicatiebesluit in te trekken indien de verzekerde niet langer op de geïndiceerde zorg is aangewezen, en niet op basis van het ontbreken van een verstandelijke handicap.