ECLI:NL:CRVB:2019:3445

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 oktober 2019
Publicatiedatum
4 november 2019
Zaaknummer
18/4298 WLZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.2.1 WlzArt. 3.2.4 WlzArt. 11.1.1 Wlz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid CIZ tot intrekking indicatiebesluit op grond van niet langer aangewezen zijn op zorg

Betrokkene was op grond van een besluit van 16 augustus 2013 geïndiceerd voor zorgzwaartepakket 6VG. Het CIZ trok dit besluit op 16 december 2016 in en stelde dat betrokkene niet langer een verstandelijke handicap had, waardoor hij niet meer voor Wlz-zorg in aanmerking kwam. Betrokkene maakte bezwaar, dat door het CIZ ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het bestreden besluit, omdat de medische adviezen onvoldoende inzichtelijk waren en het CIZ zich niet mocht baseren op het ontbreken van een verstandelijke handicap als grond voor intrekking.

In hoger beroep stelde het CIZ dat het bevoegd was het indicatiebesluit te herzien op grond van artikel 3.2.4, aanhef en onder b, van de Wlz, omdat betrokkene niet langer op de geïndiceerde zorg zou zijn aangewezen. De Raad oordeelde dat het CIZ zich niet had gebaseerd op een onderzoek naar de zorgbehoefte, maar uitsluitend op het ontbreken van een verstandelijke handicap, wat volgens de wet geen grond is voor intrekking. De rechtbank had dit miskend door het besluit te vernietigen op verkeerde gronden, maar de uitspraak werd bevestigd met verbetering van de motivering.

De Raad veroordeelde het CIZ in de proceskosten van betrokkene en legde een griffierecht op. Hiermee is bevestigd dat het CIZ alleen bevoegd is een indicatiebesluit in te trekken indien de verzekerde niet langer op de geïndiceerde zorg is aangewezen, en niet op basis van het ontbreken van een verstandelijke handicap.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van het indicatiebesluit wordt vernietigd en het hoger beroep van het CIZ wordt afgewezen.

Uitspraak

18.4298 WLZ

Datum uitspraak: 30 oktober 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 30 juli 2018, 17/2625 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

CIZ

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
CIZ heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. G. Yousef, advocaat, een verweerschrift ingediend.
CIZ heeft een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2019. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.C.J.G. van Maris-Kindt en P. Pel (medisch adviseur). Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Yousef en vergezeld van V.C.A.C. Verhagen (orthopedagoog) en [naam begeleider] , zijn begeleider.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Betrokkene, geboren in 1994, was in verband met zijn beperkingen op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) laatstelijk bij besluit van 16 augustus 2013 geïndiceerd voor zorgzwaartepakket 6VG, voor de periode van 16 augustus 2013 tot 15 augustus 2028.
1.2.
Artikel 11.1.1, eerste lid van de Wet langdurige zorg (Wlz) bepaalt dat een verzekerde die onmiddellijk voorafgaand aan de intrekking van de AWBZ op grond van een indicatiebesluit is aangewezen op een zorgzwaartepakket 6VG voor de toepassing van de Wlz gelijkgesteld wordt met een verzekerde ten aanzien van wie het CIZ heeft vastgesteld dat hij voldoet aan artikel 3.2.1, eerste of derde lid.
1.3.
Bij brief van 20 juli 2016 heeft CIZ meegedeeld de zorgbehoefte van betrokkene opnieuw te zullen onderzoeken.
1.4.
Bij besluit van 16 december 2016 heeft CIZ het besluit van 16 augustus 2013 ingetrokken en betrokkene op grond van de Wlz geïndiceerd voor het zorgprofiel VG Wonen met intensieve begeleiding, verzorging en gedragsregulering voor de periode van 15 december 2016 tot 14 maart 2017. Verder is bepaald dat betrokkene met ingang van 14 maart 2017 niet in aanmerking komt voor Wlz-zorg. Daarbij heeft CIZ zich op het standpunt gesteld dat bij betrokkene geen sprake (meer) is van een dominante grondslag verstandelijke beperking.
1.5.
Bij besluit van 26 oktober 2017 (bestreden besluit) heeft CIZ het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 16 december 2016 ongegrond verklaard. CIZ heeft zich daarbij, onder verwijzing naar de adviezen van medisch adviseur Pel, op het standpunt gesteld dat in de situatie van betrokkene sprake is van psychiatrische problematiek. Dit is echter geen grondslag die toegang geeft tot de Wlz.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 16 december 2016 herroepen en bepaald dat de aangevallen uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat in de medische adviezen een duidelijke weging van de feiten en omstandigheden ontbreekt. Op basis van de medische voorgeschiedenis van betrokkene en de in het verleden gestelde diagnosen wordt geconcludeerd dat de beperkingen hoofdzakelijk voortvloeien uit de psychiatrische problematiek. Mede gelet op het feit dat betrokkene de genoemde diagnosen heeft bestreden, is hiermee onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom – anders dan in 2013 – de grondslag verstandelijke beperking niet kan worden vastgesteld. De medische adviezen zijn dus onvoldoende inzichtelijk en concludent en CIZ mocht het bestreden besluit daarom niet op deze adviezen baseren.
3.1.
CIZ heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat hij zich mocht baseren op de adviezen van de medisch adviseur omdat daaruit blijkt dat voldoende is onderzocht en gemotiveerd dat in de situatie van betrokkene geen grondslag verstandelijk handicap aanwezig is. Verder heeft de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak voorzien omdat nog getoetst moet worden of betrokkene is aangewezen op permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid.
3.2.
Volgens betrokkene dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het hoger beroep van CIZ heeft uitsluitend betrekking op het standpunt dat de bevoegdheid tot intrekking van het indicatiebesluit in dit geval berust op artikel 3.2.4, aanhef en onder b, van de Wlz.
4.2.
Artikel 3.2.4, aanhef en onder b, van de Wlz bepaalt dat het CIZ een indicatiebesluit kan herzien dan wel intrekken indien het CIZ vaststelt dat de verzekerde niet langer op de geïndiceerde zorg is aangewezen.
4.3.1.
Uit de medische advisering die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, blijkt niet dat betrokkene niet langer op de bij het ingetrokken besluit geïndiceerde zorg (zorgzwaartepakket 6VG) is aangewezen. Naar de zorgbehoefte van betrokkene is door de medisch adviseur in het geheel geen onderzoek gedaan. Het bestreden besluit berust op de stelling dat bij betrokkene geen sprake is van een verstandelijke handicap in de zin van
artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz.
4.3.2.
Op grond van artikel 3.2.4, aanhef en onder b, van de Wlz kan uitsluitend het niet langer aangewezen zijn op de geïndiceerde zorg een grond opleveren voor intrekking of herziening van een indicatiebesluit. De intrekking van een indicatiebesluit kan daarom niet worden gebaseerd op de beoordeling dat geen sprake is van een grondslag verstandelijke handicap in de zin van artikel 3.2.1, eerste lid, aanhef, van de Wlz. CIZ was dan ook niet bevoegd met toepassing van artikel 3.2.4, aanhef en onder b, van de Wlz het indicatiebesluit van 16 augustus 2013 in te trekken. De rechtbank heeft dit miskend.
4.4.
Uit wat onder 4.3.1 en 4.3.2 is overwogen, volgt dat het hoger beroep van CIZ niet slaagt. De rechtbank heeft terecht het bestreden besluit vernietigd en het besluit van
16 december 2016 herroepen, zij het dat de rechtbank daaraan een onjuiste motivering ten grondslag heeft gelegd. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop zij berust.
5. Aanleiding bestaat CIZ te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op € 1.024,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt CIZ in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.024,-;
- bepaalt dat van CIZ een griffierecht van € 508,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en J.P.A. Boersma en W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2019.
(getekend) D.S. de Vries
De griffier is verhinderd te ondertekenen.

IJ