ECLI:NL:CRVB:2022:2079
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging ziekengeldsanctie wegens voldoende re-integratie-inspanningen in korte periode
De zaak betreft een hoger beroep van het UWV tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam die het besluit tot het opleggen van een ziekengeldsanctie aan een eigenrisicodrager werkgever vernietigde. De werkgever was eigenrisicodrager voor de Ziektewet en had een werknemer die zich op 26 januari 2017 ziek meldde en per 1 augustus 2018 ziek uit dienst ging.
Het UWV had op grond van onvoldoende re-integratie-inspanningen van de werkgever het ziekengeld verlengd tot 23 januari 2020. De werkgever maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat het spoor 2-traject adequaat was opgestart en de re-integratie-inspanningen voldoende waren, mede vanwege de korte periode tussen het ontstaan van benutbare mogelijkheden en het bereiken van de einde wachttijd.
In hoger beroep stelt het UWV dat het spoor 2-traject niet adequaat was, maar erkent dat het te laat opstarten hiervan niet aan de werkgever te wijten is. De Raad oordeelt dat met het ingekochte en ingezette spoor 2-traject aan de eisen is voldaan en dat van de werkgever niet verwacht kan worden dat in de korte resterende periode verdere stappen worden gezet. Het hoger beroep van het UWV wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Het incidenteel hoger beroep van de werkgever wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het belang is komen te vervallen. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van de werkgever en het griffierecht wordt geheven.
Uitkomst: De ziekengeldsanctie wordt vernietigd en het hoger beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard.