Appellant ontving bijstand van februari 2014 tot juni 2015 met toeslag en vanaf juli 2015 volgens de kostendelersnorm. Het college van Maastricht sloeg het recht op bijstand op en trok het uiteindelijk in wegens vermeende schending van de inlichtingenverplichting, omdat appellant niet alle gevraagde bankafschriften had ingeleverd en niet op gesprekken was verschenen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij de inlichtingenverplichting niet had geschonden, omdat het niet overleggen van bewijsstukken zoals bankafschriften niet valt onder de inlichtingenverplichting, maar onder de medewerkingsverplichting.
De Raad oordeelde dat de intrekking en terugvordering niet op een deugdelijke wettelijke grondslag berusten. Het niet overleggen van bankafschriften en het niet verschijnen op gesprekken leidt niet tot schending van de inlichtingenverplichting. De intrekking van de bijstand vanaf april 2017 blijft wel in stand omdat appellant toen ondubbelzinnig aangaf geen bijstand meer te ontvangen.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor de periode 11 februari 2014 tot en met 31 maart 2017 en herroept het intrekkingsbesluit voor die periode. Het college werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.