Appellante was werkzaam als intercedente bij een uitzendbureau dat eind 2012 ophield te bestaan en zette haar werkzaamheden voort bij een nieuw opgericht uitzendbureau. Zij ontving WW-, ZW- en WIA-uitkeringen, maar het UWV ontdekte via een onderzoek dat zij naast de uitkeringen ook werkzaamheden verrichtte voor het nieuwe uitzendbureau zonder dit te melden.
Het UWV trok daarop de uitkeringen in en vorderde de onverschuldigd betaalde bedragen terug. Appellante voerde aan dat zij slechts beperkte werkzaamheden verrichtte en dat het UWV ten onrechte aannam dat zij de dagelijkse leiding had. De rechtbank verklaarde haar beroep ongegrond en stelde dat zij de inlichtingenplicht had geschonden.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat appellante substantieel meer werkte dan zij had opgegeven en dat het UWV terecht de uitkeringen introk en terugvorderde. Het verzoek om aanhouding wegens een lopende strafzaak werd afgewezen. De Raad oordeelde dat de verklaringen en onderzoeksrapporten voldoende bewijs leverden dat appellante de dagelijkse leiding had en dat de schatting van 3,5 uur per week niet aannemelijk was.
De Raad concludeerde dat appellante niet als werknemer in de zin van de ZW en WIA kon worden beschouwd, waardoor zij geen recht had op die uitkeringen. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.