ECLI:NL:CRVB:2022:1684

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 juli 2022
Publicatiedatum
3 augustus 2022
Zaaknummer
19/4584 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:22 AwbArt. 8:69 AwbArt. 8:109 AwbArt. 6:22 AwbArt. 8.9 Wmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking persoonsgebonden budget op grond van Wmo 2015 na belangenafweging

De zaak betreft het hoger beroep van het college tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg die het beroep van betrokkene tegen de intrekking van haar persoonsgebonden budget (pgb) gegrond verklaarde. Betrokkene had een pgb toegekend gekregen voor woningaanpassingen, maar het college trok dit in omdat het pgb niet was gebruikt voor het beoogde doel.

De rechtbank oordeelde dat de intrekking moest worden beoordeeld op basis van de Wmo 2015 en dat het college onvoldoende gemotiveerd had waarom het belang bij intrekking zwaarder woog dan de gevolgen voor betrokkene. Daarbij nam de rechtbank bijzondere omstandigheden mee, zoals de situatie van betrokkene in 2012 toen zij in een kliniek verbleef en de Wmo mogelijk uitkomst had kunnen bieden.

Het college stelde dat de rechtbank buiten de geschilomvang trad, het verkeerde wettelijke kader toepaste en onterecht schade en omstandigheden meenam in de belangenafweging. De Centrale Raad van Beroep verwierp deze bezwaren, bevestigde dat de Wmo 2015 van toepassing is, dat de rechtbank niet buiten de geschilomvang trad en dat de bijzondere omstandigheden terecht bij de belangenafweging werden betrokken.

De Raad verklaarde het hoger beroep van het college ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werden geen proceskosten toegekend en het college werd griffierecht opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van het persoonsgebonden budget en wijst het hoger beroep van het college af.

Uitspraak

19 4584 WMO15

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 8 oktober 2019, 17/4240 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Brunssum (college)
[betrokkene] e/v [naam echtgenoot] te [woonplaats] (België) (betrokkene)
Datum uitspraak: 20 juli 2022

PROCESVERLOOP

Namens het college heeft mr. S.A.R. Lely, destijds advocaat, hoger beroep ingesteld.
Op 11 november 2020 heeft mr. R.A.H. Vlecken, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde van het college gesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2022. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Vlecken, mr. V.C. Rozek, advocaat, mr. R.L.M. Meijers en M.A. Roumans. Betrokkene is verschenen, vergezeld door haar partner [naam echtgenoot] .

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 6 juni 2012, nr. 11/1408 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) aan betrokkene een persoonsgebonden budget (pgb) van € 56.000,- voor woningaanpassingen toegekend.
1.2.
Het college heeft bij besluit van 14 juni 2017, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 21 november 2017 (bestreden besluit), de toekenning van het pgb ingetrokken, omdat betrokkene het pgb niet heeft gebruikt voor het realiseren van woningaanpassingen.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft hiertoe, voor zover van belang, overwogen dat het college niet heeft onderkend dat bij de intrekking moet worden uitgegaan van het recht zoals dat gold onder de Wmo. De rechtbank heeft echter aanleiding gezien dit gebrek te passeren op grond van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat aannemelijk is dat betrokkene daardoor niet wordt benadeeld. De rechtbank heeft verder overwogen dat het college niet heeft gemotiveerd waarom in dit geval zijn belang bij intrekking zwaarder weegt dan de gevolgen van de intrekking voor betrokkene. Voor een kenbare deugdelijke belangenafweging bestaat volgens de rechtbank des te meer aanleiding gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval. Hierbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de civiele rechter weliswaar heeft geoordeeld dat de door het college te vergoeden schade als gevolg van de eerdere onrechtmatige besluitvorming rondom de toekenning beperkt blijft tot de wettelijke rente over het toegekende pgb, maar dat dit niet betekent dat de overige schade geen rol kan spelen bij de nu te maken belangenafweging. Niets staat eraan in de weg dat schade die betrokkene stelt te hebben geleden als gevolg van de besluiten van het college, wordt betrokken bij de belangenafweging wel of niet tot intrekking van het pgb over te gaan. De rechtbank heeft verder overwogen dat de situatie waarin betrokkene zich medio 2012 bevond, een andere was dan de situatie zoals deze was ten tijde van haar aanvraag om een pgb op 16 maart 2010. Zij verbleef medio 2012 in een kliniek in België, waarvan haar ziektekostenverzekeraar de kosten niet meer wenste te vergoeden, terwijl haar behandelend artsen het onverantwoord vonden dat zij naar haar huis terugkeerde. De rechtbank is van oordeel dat in een dergelijke situatie de Wmo uitkomst had kunnen bieden. De gemachtigde van betrokkene heeft zich destijds tot het college gewend, maar heeft daarbij geen beroep gedaan op de Wmo. Ook het college heeft toen niet de link met de Wmo gelegd. De rechtbank is van oordeel dat een en ander ook bij de belangenafweging moet worden betrokken.
3. Het college heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld. Het college heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden. Daarnaast heeft het college betoogd dat de rechtbank is uitgegaan van het onjuiste wettelijke kader, nu de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) van toepassing is. Verder heeft het college betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de gestelde schade en de situatie van medio 2012 bij de belangenafwegingen moeten worden betrokken.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Omdat de toekenning van het pgb bij besluit van 14 juni 2017 is ingetrokken, heeft de rechtbank terecht de Wmo van toepassing geacht, gelet op artikel 8.9, tweede lid, van de Wmo 2015. Vergelijk de uitspraak van 21 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2810.
4.2.
Het betoog dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden, slaagt evenmin. Met het oog op wat door betrokkene in beroep is aangevoerd, kan namelijk niet worden gezegd dat de rechtbank heeft gehandeld in strijd met artikel 8:69 van Pro de Awb.
4.3.
Ten slotte treft de beroepsgrond over door de rechtbank genoemde omstandigheden die bij de belangenafweging moeten worden betrokken, geen doel. Gezien de bijzondere situatie, zoals de vertegenwoordigers van het college tijdens de zitting bij de Raad deze zaak ook zelf hebben omschreven, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de door haar genoemde omstandigheden bij de afweging moeten worden betrokken.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
6. Van het college wordt op grond van artikel 8:109, tweede lid, van de Awb griffierecht geheven.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • bepaalt dat van het college een griffierecht van € 519,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins als voorzitter en B.J. van de Griend en A.E. Dutrieux als leden, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2022.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) R. van Doorn