ECLI:NL:CRVB:2022:1674
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering WW-uitkering wegens verblijf in Zweden en boete voor schending inlichtingenplicht
In deze zaak heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de WW-uitkering van appellant herzien en teruggevorderd over de periode december 2016 tot juni 2018, omdat appellant niet had gemeld dat hij in Zweden verbleef. Een deel van deze periode werd aanvankelijk als vakantie aangemerkt. Daarnaast legde het Uwv een boete van €40 op wegens schending van de inlichtingenplicht.
Appellant voerde aan dat hij met medewerkers van het Uwv over zijn verblijf had gesproken, maar de Centrale Raad oordeelde dat dit onvoldoende was om te voldoen aan de verplichting tot het verstrekken van juiste en volledige informatie, waaronder de exacte data en duur van het verblijf. Appellant was hiervan op de hoogte en had in december 2016 wel correct melding gemaakt nadat het Uwv hem daarop had gewezen.
De Raad verwierp ook het verweer dat het verblijf in Zweden als geoorloofde sollicitatieactiviteit of als vakantie moest worden aangemerkt, omdat appellant langer verbleef dan zijn vakantiedagen en geen bijzondere toestemming had verkregen. De schending van de inlichtingenplicht stond vast, evenals de rechtmatigheid van de opgelegde boete, die passend werd geacht gezien de draagkracht van appellant. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Gelderland werd bevestigd en er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt de herziening en terugvordering van de WW-uitkering en handhaaft de boete van €40 wegens schending van de inlichtingenplicht.