Uitspraak
21 1571 WW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
WW-uitkering van appellant op te schorten.
Centrale Raad van Beroep
Appellant diende op 11 november 2019 een aanvraag in voor een WW-uitkering en gaf een woonadres in Nederland op. Het UWV kende hem een WW-uitkering toe met ingang van 11 oktober 2019. Kort daarna bleek dat appellant niet was ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP), wat volgens artikel 30a WW een reden is om de uitkering op te schorten.
Het UWV gaf appellant de mogelijkheid om zich alsnog in te schrijven of een buitenlandse verblijfplaats door te geven, maar appellant gaf hier geen gehoor aan. Daarom schortte het UWV op 4 februari 2020 de uitkering op. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde vast dat appellant ambtshalve was uitgeschreven uit de BRP en als niet-ingezetene geregistreerd stond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn feitelijke woonplaats in Nederland lag en dat inschrijving in de BRP niet beslissend mocht zijn. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat voor toepassing van artikel 30a WW alleen de inschrijving in de BRP relevant is. Omdat appellant niet binnen de gestelde termijn zijn inschrijving had hersteld, was het UWV terecht gehouden de uitkering op te schorten. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De opschorting van de WW-uitkering wegens niet-inschrijving in de BRP wordt bevestigd.