Appellanten ontvingen sinds 1996 bijstand, waarvan vanaf 2013 op grond van de Participatiewet. Het college trok de bijstand in december 2016 in, waarna appellanten een nieuwe aanvraag deden. Na onderzoek bleek dat appellanten bestuurder waren van een vereniging die op hun adres stond ingeschreven, maar zij verstrekte geen concrete administratie of bewijsstukken over de vereniging.
Het college schortte daarom de bijstand op en gaf appellanten de gelegenheid om de gevraagde gegevens te overleggen. Appellanten maakten bezwaar tegen de opschorting en later ook tegen de intrekking van de bijstand. De vereniging werd uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel na de opschorting maar vóór de intrekking.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde dit oordeel voor zover het de intrekking betrof. De Raad oordeelde dat het college terecht de bijstand mocht opschorten vanwege het niet verstrekken van relevante gegevens, maar niet bevoegd was tot intrekking omdat de vereniging was opgeheven en de gevraagde gegevens niet meer relevant waren voor het actuele recht op bijstand. Het college werd veroordeeld in de proceskosten van appellanten.