Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet. Het college stelde vast dat zij de inlichtingenverplichting hadden geschonden door het niet volledig melden van een schadevergoeding van € 57.500, een contante opname van € 15.690 en het bezit van € 3.000 in contanten. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd over de periode van 9 mei 2014 tot 1 maart 2018.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het recht op bijstand over de periode 9 mei 2014 tot 22 maart 2016 niet volledig kan worden vastgesteld en dat appellanten mogelijk recht op bijstand hadden. Over de periode 22 maart 2016 tot 16 juni 2016 is het recht op bijstand nihil vanwege het hoge vermogen. Over de periode 16 juni 2016 tot 18 maart 2018 kan het recht niet worden vastgesteld.
De Raad vernietigt het bestreden besluit voor zover het de intrekking en terugvordering over periode 1 betreft en draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de Raad het college in de proceskosten van appellanten.