ECLI:NL:CRVB:2022:1145
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WAO-uitkering wegens niet gemelde inkomsten uit hennepteelt en witwassen
Appellant ontving vanaf 2000 een WAO-uitkering met toeslag, maar het UWV stelde vast dat hij vanaf 2001 inkomsten had uit illegale hennepteelt en witwassen, die niet waren gemeld. Dit leidde tot intrekking van de uitkering en terugvordering van onverschuldigde betalingen.
Appellant verzocht in 2018 om herziening van dit besluit, onderbouwd met belastinguitspraak en arresten van de Hoge Raad en het gerechtshof, maar het UWV wees dit af omdat deze stukken geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bevatten die het eerdere besluit onjuist maken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond wegens gebrekkige motivering, maar handhaafde de rechtsgevolgen. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat appellant onherroepelijk is veroordeeld voor diverse strafbare feiten en dat het wederrechtelijk verkregen voordeel substantieel was. De Raad volgt het UWV dat appellant geen recht had op WAO-uitkering en toeslag, ook na herberekening van het inkomen.
Het motiveringsgebrek in het bestreden besluit wordt gepasseerd omdat de uitkomst niet anders zou zijn geweest. De Raad veroordeelt het UWV in de proceskosten en bepaalt vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de intrekking van de WAO-uitkering wordt afgewezen; appellant had geen recht op uitkering wegens niet gemelde inkomsten.