ECLI:NL:CRVB:2022:1048
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering en beëindiging ZW-uitkeringen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig productiemedewerker, meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medische en arbeidskundige onderzoeken vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de WIA-uitkering. Tevens werden Ziektewet-uitkeringen toegekend en later beëindigd omdat zij geschikt werd geacht voor geselecteerde functies.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante tegen deze besluiten ongegrond, met voldoende motivatie over de medische beoordeling en de passendheid van functies. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de medische beperkingen onvoldoende waren meegewogen, dat het equality of arms-beginsel was geschonden en dat de functies niet passend waren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV de beperkingen zorgvuldig en gemotiveerd had vastgesteld, dat er geen schending van het equality of arms-beginsel was en dat de functies passend waren. Nieuwe medische gegevens ontbraken en de arbeidskundige bezwaren vielen buiten het geschil. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraken en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering en beëindiging van ZW-uitkeringen worden bevestigd.