ECLI:NL:CRVB:2022:1042
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering nabestaandenuitkering wegens invaliditeitsuitkering
Appellante ontvangt sinds 2004 een nabestaandenuitkering en woont en werkt in België. Na ziekte in 2017 ontvangt zij een Belgische arbeidsongeschiktheidsuitkering die vanaf augustus 2018 is omgezet in een invaliditeitsuitkering. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft de nabestaandenuitkering herzien en te veel betaalde bedragen teruggevorderd omdat de invaliditeitsuitkering als overig inkomen volledig in mindering moet worden gebracht.
De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard, waarbij is geoordeeld dat de invaliditeitsuitkering vergelijkbaar is met een WIA-uitkering en dus volledig gekort moet worden. Appellante voerde aan dat de invaliditeitsuitkering vergelijkbaar zou zijn met een Ziektewetuitkering die gedeeltelijk vrijgesteld is, en dat een toeslag ten onrechte werd betrokken bij de herziening. Ook stelde zij dat terugvordering met terugwerkende kracht onredelijk is.
De Raad volgt de rechtbank en oordeelt dat de Belgische invaliditeitsuitkering naar aard en strekking overeenkomt met een WIA-uitkering en dus volledig op de nabestaandenuitkering in mindering wordt gebracht. De gestelde toeslag is niet vergelijkbaar met een Nederlandse toeslag en mag niet buiten beschouwing blijven. Appellante heeft haar inlichtingenplicht geschonden door de wijziging niet tijdig door te geven, waardoor herziening en terugvordering terecht zijn. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de herziening en terugvordering van de nabestaandenuitkering bevestigd.