ECLI:NL:CRVB:2022:1026
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens opzegging arbeidsovereenkomst zonder geldige reden
Appellant was sinds september 2019 werkzaam als medewerker huishouding en ontving bijstand. Hij zegde zijn arbeidsovereenkomst op 29 oktober 2019 per 1 november 2019 op, omdat hij vond dat het loon te laag was en hij problemen met slapen had.
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam verlaagde daarop de bijstand met 50% gedurende één maand als maatregel op grond van artikel 18 lid 4 PW Pro, omdat appellant de verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te behouden niet was nagekomen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze maatregel ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij het ontslag nog ongedaan had kunnen maken, dat de maatregel disproportioneel was, en dat rekening had moeten worden gehouden met de beslagvrije voet. De Raad oordeelde dat het opzeggen van de arbeidsovereenkomst op zichzelf al een maatregelwaardige gedraging is, dat appellant verantwoordelijk was voor het herstel van de situatie, en dat bij het opleggen van de maatregel geen rekening hoeft te worden gehouden met de beslagvrije voet.
Ook het beroep op eerdere jurisprudentie over lagere boetes faalde omdat die jurisprudentie betrekking had op bestuurlijke boetes en niet op herstellende sancties zoals de maatregel in deze zaak.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en de opgelegde maatregel.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 50% gedurende één maand wordt bevestigd.