ECLI:NL:CRVB:2021:751
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag politieambtenaar na bereiken AOW-leeftijd ondanks verzoek doorwerken
Appellant was sinds 2003 werkzaam bij de politie en bereikte op 24 mei 2016 de AOW-gerechtigde leeftijd. De korpschef maakte bij brief van 9 november 2017 het voornemen bekend om appellant per 1 januari 2018 eervol ontslag te verlenen vanwege het bereiken van de AOW-leeftijd. Appellant gaf aan door te willen werken tot 31 december 2018 en per 1 januari 2019 ontslag te willen nemen. De korpschef verleende echter eervol ontslag per 1 juli 2018, met het oog op het benutten en overdragen van zijn specifieke kennis.
Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, stellende dat het pensioenbedrag bij ontslag per 1 juli 2018 lager zou zijn dan bij ontslag per 1 januari 2019. De bezwaaradviescommissie oordeelde dat de korpschef niet bevoegd was om ontslag op een later moment dan de AOW-leeftijd te verlenen en dat een belangenafweging ontbrak. De korpschef verklaarde het bezwaar ongegrond en motiveerde dat het ontslag noodzakelijk was vanwege personele overbezetting en verjonging van het korps.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat artikel 94 Barp Pro de korpschef discretionaire bevoegdheid geeft om ontslag te verlenen bij of na het bereiken van de AOW-leeftijd. De gedragslijn ‘Doorwerken na AOW-leeftijd?’ wordt als redelijk en consistent beoordeeld, mede gezien de financiële situatie en personeelsopbouw van de politie. Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen omdat appellant geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan toezeggingen over doorwerken na de AOW-leeftijd.
Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het eervol ontslag per 1 juli 2018 bevestigd.