Uitspraak
19 2133 PW
3 april 2019, 18/3605 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand van 2010 tot 2017 en woonde op het uitkeringsadres waar in juni 2017 een hennepkwekerij met 252 planten werd aangetroffen en ontmanteld. Het college trok de bijstand in over de periode maart tot juni 2017 wegens het niet melden van de hennepkwekerij en het ontbreken van een deugdelijke administratie.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betwist appellant dat er een oogst heeft plaatsgevonden en voert aan dat de vervuilingen in de kweekruimtes afkomstig zijn van een eerdere ontmantelde kwekerij en tweedehands kweekspullen. Ook wijst hij op een afwijzing van een ontnemingsvordering door de strafrechter.
De Raad oordeelt dat de indicatoren in het rapport duiden op een oogst in de periode voorafgaand aan de aangetroffen planten en dat appellant onvoldoende bewijs heeft geleverd voor zijn stellingen. Het niet gemotiveerde aantekening mondeling vonnis van de strafrechter kan niet leiden tot een ander oordeel. De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet gemelde hennepkwekerij en aannemelijke oogst wordt bevestigd.