ECLI:NL:CRVB:2021:625
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van UWV-besluit over vaststelling inkomen en terugvordering WIA-uitkering
Appellante ontvangt sinds 2007 een WIA-uitkering en werkte in 2014 zowel als zelfstandige als in loondienst. Het UWV stelde in 2017 vast dat appellante te veel uitkering had ontvangen over diverse maanden in 2014 en vorderde terugbetaling van €7.446,76.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV de inkomsten correct had toegerekend volgens het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB). Appellante voerde in hoger beroep aan dat het resultaat kennelijk onredelijk was en dat zij niet duidelijk was geïnformeerd over de terugwerkende kracht van de herziening.
De Centrale Raad van Beroep volgt de rechtbank en oordeelt dat het volgen van de voorschriften in artikel 4:1 AIB Pro niet leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat. Ook was het appellante redelijkerwijs duidelijk dat zij te veel uitkering had ontvangen. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.