ECLI:NL:CRVB:2021:591
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Loonsanctie onterecht opgelegd wegens plausibel medisch oordeel bedrijfsarts
Werkneemster was sinds 2005 bij appellante werkzaam en viel in 2015 uit wegens psychische klachten. Na diverse medische en arbeidskundige onderzoeken werd vastgesteld dat werkneemster slechts marginaal belastbaar was en dat uitbreiding van haar arbeidsuren niet reëel was. Het UWV legde appellante een loonsanctie op wegens vermeende onvoldoende re-integratie-inspanningen, omdat volgens het UWV de belastbaarheid hoger was dan door de bedrijfsarts was ingeschat.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht de loonsanctie oplegde. In hoger beroep stelde appellante dat het medisch oordeel van de bedrijfsarts plausibel was en dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met de specifieke situatie van werkneemster, waaronder haar co-morbiditeit.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch oordeel van de bedrijfsarts, die op regelmatige basis intensief contact had met appellante en uitgebreide medische informatie betrok, plausibel is. Het besluit van het UWV dat een wezenlijk andere inschatting maakte, ontbeerde voldoende onderbouwing en was daarmee in strijd met het motiveringsbeginsel. De loonsanctie werd vernietigd, het besluit van het UWV herroepen en het UWV werd verplicht opnieuw te beslissen over het recht op WIA-uitkering van werkneemster vanaf 8 januari 2017.
Uitkomst: De loonsanctie tegen appellante is vernietigd en het UWV moet opnieuw beslissen over de WIA-uitkering van werkneemster.