ECLI:NL:CRVB:2021:517
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldig UWV-onderzoek
Appellante was sinds november 2011 werkzaam en meldde zich ziek in 2012 met klachten aan het houdings- en bewegingsapparaat. Na diverse uitkeringen en re-integratiepogingen stelde het UWV in 2018 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten waren onderschat en dat relevante medische informatie onvoldoende was meegewogen. Ook stelde zij dat de arbeidsdeskundige onterecht bepaalde functies als geschikt had aangemerkt. Het UWV verweerde zich met verwijzing naar een gedegen beoordeling door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, waarbij alle medische gegevens waren betrokken.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de rechtbank volledig en concludeerde dat het UWV een zorgvuldig en deugdelijk onderzoek had verricht. De Raad volgde appellante niet in haar stellingen over onderschatting van klachten en onjuiste functiebeoordeling. De beëindiging van de WIA-uitkering per 18 juni 2018 is daarmee terecht. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.