ECLI:NL:CRVB:2021:439
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen UWV-besluit over arbeidsduurbeperking en WIA-uitkering
Appellante werkte tot juni 2014 28 uur per week en viel vanaf november 2014 uit wegens vermoeidheidsklachten en een eetstoornis. Het UWV stelde in 2015 een arbeidsduurbeperking vast van ongeveer twee uur per dag, tien uur per week. Bij latere beoordelingen in 2016 werd deze beperking gewijzigd naar vier uur per dag, twintig uur per week zonder voldoende motivering.
Het UWV kende appellante in 2016 een WIA-uitkering toe, maar wijzigde later de ingangsdatum en duur van de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond maar handhaafde de rechtsgevolgen van het UWV-besluit. Appellante ging in hoger beroep omdat zij meent dat haar arbeidsduurbeperking verdergaand is dan het UWV aanneemt.
De Raad concludeert dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de arbeidsduurbeperking op 28 april 2016 is gewijzigd van twee naar vier uur per dag. De medische rapporten geven onvoldoende onderbouwing voor deze wijziging. Daarom berust het besluit op een ontoereikende medische grondslag en kan het niet in stand blijven.
De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtsgevolgen van het UWV-besluit in stand zijn gelaten en draagt het UWV op om opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende medische motivering en het UWV wordt opgedragen opnieuw te beslissen.