Uitspraak
19.1294 AOW
mr. S.M.C. Rooijers.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1943 en met Spaanse nationaliteit, vroeg in 2009 een ouderdomspensioen aan op grond van de AOW. Aanvankelijk werd deze aanvraag afgewezen wegens gebrek aan bewijs van werk in Nederland. Pas na overleg met het Spaanse pensioenorgaan en het Pensioenfonds voor de Koopvaardij in 2017 werd het ouderdomspensioen toegekend met ingang van 1 augustus 2016.
Na bezwaar werd de ingangsdatum bij besluit van 13 juni 2018 vastgesteld op 1 juli 2012, met een terugwerkende kracht van vijf jaar vanwege onvoldoende onderzoek door de Sociale verzekeringsbank (Svb). De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, oordelend dat het beleid van de Svb om maximaal vijf jaar terugwerkende kracht toe te passen niet onredelijk was.
In hoger beroep stelde appellant dat de terugwerkende kracht tot 2008 (pensioengerechtigde leeftijd) moest worden vastgesteld, omdat de Svb een fout had gemaakt door geen navraag te doen bij het pensioenfonds. De Raad oordeelde echter dat het beleid van de Svb, gebaseerd op beleidsregel SB1076 en artikel 4:6 Awb Pro, correct was toegepast en dat geen bijzondere omstandigheden bestonden om hiervan af te wijken.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2021 door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De ingangsdatum van het ouderdomspensioen wordt bevestigd met een terugwerkende kracht van vijf jaar, een verdere terugwerkende kracht wordt afgewezen.