ECLI:NL:CRVB:2021:3073
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering en weigering WIA-uitkering wegens niet volgemaakte wachttijd
Appellante was administratief medewerkster en meldde zich op 5 augustus 2016 ziek met rugklachten. Haar dienstverband eindigde op 1 januari 2017 waarna zij ziekengeld ontving op grond van de Ziektewet (ZW). Na medisch onderzoek werd zij per 9 juli 2018 hersteld verklaard voor haar eigen werk. Het UWV beëindigde daarop het ziekengeld en weigerde een WIA-uitkering omdat appellante de wachttijd van 104 weken niet had volgemaakt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat appellante niet had aangetoond dat haar beperkingen onjuist waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening was gehouden met het effect van de procedure op haar en overhandigde een Wmo-indicatie.
De Raad oordeelde dat de aangevallen uitspraak terecht was en dat de medische informatie reeds was betrokken bij de beoordeling. De Wmo-indicatie was niet relevant voor de in geschil zijnde periode. De Raad concludeerde dat het UWV terecht het recht op ziekengeld beëindigde en de WIA-uitkering weigerde omdat de wachttijd niet was voltooid. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De ZW-uitkering is terecht beëindigd en de WIA-uitkering terecht geweigerd wegens niet volgemaakte wachttijd.