Appellant werd tijdelijk aangesteld als aspirant niveau 4 bij de politie met een inschaling conform artikel 3bis a van het Besluit bezoldiging politie (Bbp). Hij verzocht om herziening van deze inschaling op basis van zijn eerdere werkervaring van minimaal twee jaar, die niet direct voorafging aan zijn aanstelling. De korpschef wees dit verzoek af en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn werkervaring onder de uitzonderingsbepaling van artikel 3bis a, tweede lid, Bbp valt, waardoor hem een hogere inschaling toekomt. De Raad oordeelde dat het aanstellingsbesluit vaststaat, maar dat het verzoek van appellant ook betrekking heeft op de toekomst en dat er sprake is van een duuraanspraak. Dit betekent dat een minder terughoudende toets geldt voor de inschaling vanaf het verzoek.
De Raad stelde vast dat de werkervaring niet direct vooraf hoeft te gaan aan de aanstelling, mits het gaat om een aaneengesloten periode van minimaal twee jaar met minimaal 28 uur werk per week en minimaal het minimumloon. Dit sluit aan bij de tekst en toelichting van artikel 3bis a, tweede lid, Bbp. De Raad vernietigde het bestreden besluit en stelde de inschaling van appellant voor de toekomst vast op € 1.504,- per maand voor de periode 22 juni 2018 tot 21 november 2018 en € 1.566,- per maand voor 22 november 2018 tot 20 mei 2019. Tevens werd de korpschef veroordeeld in de proceskosten.