Appellanten ontvingen bijstand naar de norm voor gehuwden op grond van de Participatiewet. Het dagelijks bestuur trok de bijstand in en vorderde terugbetaling wegens het niet melden van bezit van onroerend goed en bankrekeningen in Marokko. Dit besluit was gebaseerd op een onderzoek van de sociale recherche en notariële aktes.
De Raad constateerde dat appellanten vanaf 13 oktober 2006 onomstotelijk onroerend goed bezaten en geen melding maakten, maar stelde vast dat het bewijs voor eigendom tussen 15 augustus 2001 en 12 oktober 2006 onvoldoende was. De notariële akte uit 2001 vertoonde meerdere onjuistheden en gebreken, waaronder verkeerde persoonsgegevens en een niet-overeenkomende handtekening, waardoor het dagelijks bestuur niet aannemelijk had gemaakt dat appellant mede-eigenaar was in die periode.
De Raad vernietigde daarom het besluit tot intrekking en terugvordering voor de periode 2001-2006 en bepaalde dat het dagelijks bestuur opnieuw moet beslissen over de terugvordering, met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd het dagelijks bestuur veroordeeld in de kosten van appellanten en werd het betaalde griffierecht vergoed.