Betrokkene, werkzaam bij de ABG-organisatie, werd in april 2019 geschorst na een politieonderzoek waarbij hennepplanten, losse hennep en vervaardigde hennep werden aangetroffen in zijn woning. Hoewel de strafzaak werd geseponeerd, oordeelde het bestuur dat sprake was van ernstig plichtsverzuim en legde ontslag op. De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat het ontslag disproportioneel was en dat het schorsingsbesluit op een onjuiste grondslag berustte.
In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat het bestuur voldoende gronden had voor schorsing en dat het onderzoek naar het plichtsverzuim zorgvuldig was. Het bezit en vervaardigen van hennep viel niet onder het gedoogbeleid, gezien de hoeveelheid en de aanwezigheid van twaalf planten, wat duidt op beroepsmatige teelt. Betrokkene kon de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag inzien, ondanks cognitieve beperkingen.
De Raad oordeelde dat het plichtsverzuim toerekenbaar was en dat het ontslag niet onevenredig was gezien de ernst van het gedrag, eerdere waarschuwingen en de eisen van integriteit binnen de organisatie. Het hoger beroep van het bestuur werd gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van betrokkene verworpen en de eerdere uitspraak van de rechtbank vernietigd.