ECLI:NL:CRVB:2021:2610
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering na geschiktheid voor medewerker tuinbouw bevestigd
Appellant was langdurig ziek met sarcoïdose en psychische klachten en ontving een ZW-uitkering. Het UWV stelde vast dat appellant vanaf 5 december 2016 geschikt was voor de functie van medewerker tuinbouw, waardoor het recht op ziekengeld werd beëindigd. Appellant betwistte dit en stelde dat hij vanwege een miscommunicatie met zijn gemachtigde de rechtbankzitting niet kon bijwonen en dat zijn beperkingen zwaarder waren dan aangenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij het medisch onderzoek van het UWV als zorgvuldig werd beoordeeld. In hoger beroep overwoog de Raad dat de miscommunicatie voor risico van appellant kwam en benoemde een onafhankelijke longarts als deskundige. Deze bevestigde de door het UWV vastgestelde urenbeperking van vier uur per dag en 20 uur per week en vond geen bezwaar tegen de functie medewerker tuinbouw.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht het recht op ziekengeld had beëindigd en dat het bestreden besluit, hoewel aanvankelijk onvoldoende gemotiveerd, in hoger beroep toereikend was onderbouwd. De Raad veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalde dat het griffierecht werd vergoed.
Uitkomst: De ZW-uitkering van appellant is terecht per 5 december 2016 beëindigd omdat hij geschikt is voor de functie medewerker tuinbouw met een urenbeperking.