ECLI:NL:CRVB:2021:2531
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onvoorwaardelijk ontslag wegens plichtsverzuim niet proportioneel
Appellante, werkzaam bij de gemeente sinds 2004, werd ontslagen wegens plichtsverzuim omdat zij zonder bericht niet verscheen bij afspraken met de bedrijfsarts op 2 en 9 februari 2018 en haar werk niet hervatte. Het college legde haar eerst een berisping op voor het niet verschijnen op 2 februari, en vervolgens onvoorwaardelijk ontslag voor het niet verschijnen op 9 februari en werkweigering.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het ontslagbesluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij door angstgevoelens niet kon handelen en dat het ontslag disproportioneel was. De Raad overwoog dat het niet verschijnen bij de bedrijfsarts plichtsverzuim is, maar dat het college onvoldoende medische stukken had ontvangen om het gedrag als niet-toerekenbaar te beoordelen. Aangezien appellante niet meewerkte aan een extern onderzoek, mocht het college het plichtsverzuim als toerekenbaar beschouwen.
De Raad oordeelde echter dat het opleggen van onvoorwaardelijk ontslag niet in verhouding stond tot het plichtsverzuim, mede omdat de berisping voor 2 februari al was opgelegd en appellante in bezwaar alsnog de bedrijfsarts bezocht. Daarom werd het ontslagbesluit vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het ontslagbesluit wegens plichtsverzuim wordt vernietigd omdat de straf niet proportioneel is en het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.