Uitspraak
19.5131 AOW
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, gehuwd sinds 1970, verzocht de Sociale Verzekeringsbank (Svb) om hem met ingang van 1 september 2016 aan te merken als ongehuwd voor AOW-doeleinden, omdat hij duurzaam gescheiden zou leven van zijn echtgenote. De Svb voerde een onderzoek uit, waarbij bleek dat ondanks het feit dat partijen apart wonen, er sprake is van een grote mate van financiële verbondenheid en zorg voor elkaar. Zo gebruikt de echtgenote de woning van appellant, ontvangt zij maandelijks geld van hem en staat de auto op haar naam.
De Svb wees het verzoek af en verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit. In hoger beroep stelde appellant dat hij al jaren geen contact meer had met zijn echtgenote en inmiddels een echtscheiding had aangevraagd.
De Raad oordeelde dat duurzaam gescheiden leven inhoudt dat partijen ieder een eigen leven leiden alsof zij niet gehuwd zijn, en dat het feit dat zij niet samenwonen niet voldoende is. Gezien de financiële verwevenheid en zorg voor elkaar concludeerde de Raad dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij duurzaam gescheiden leeft. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een ongehuwdenpensioen wordt afgewezen.