ECLI:NL:CRVB:2021:2262
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek terugkomen op Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant had in 2014 een Wajong-uitkering aangevraagd, welke door het UWV werd afgewezen omdat hij naar oordeel van het UWV meer dan 75% van het minimumloon kon verdienen. Na een bezwaarprocedure die niet ontvankelijk werd verklaard, verzocht appellant in 2017 opnieuw om een beoordeling van zijn arbeidsvermogen, opgevat als een verzoek om terug te komen op het eerdere besluit. Dit verzoek werd door het UWV afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, omdat de aangevoerde documenten en omstandigheden niet als nieuw konden worden aangemerkt en geen aanleiding gaven om het eerdere besluit te herzien. Appellant stelde in hoger beroep dat hij ook in een beschutte werkomgeving niet kon werken, maar kon dit niet onderbouwen met nieuwe medische feiten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV het verzoek terecht had afgewezen op grond van artikel 4:6 Awb Pro, omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren gesteld die het eerdere besluit onjuist maakten. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op het besluit tot weigering van de Wajong-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.