ECLI:NL:CRVB:2021:2236
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om herziening wegens ontbreken nieuw feit of omstandigheid
Verzoekster heeft bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om herziening van een eerdere uitspraak van 26 november 2020, waarin haar verzoek om terugwerkende kracht voor een vergoeding voor huishoudelijke hulp werd afgewezen. De afwijzing was gebaseerd op het feit dat de aanvraag pas in december 2019 werd ingediend, terwijl de vergoeding niet terugwerkend kan worden toegekend volgens de hoofdregel van artikel 40, eerste lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.
Tijdens de zitting op 15 juli 2021 was verzoekster niet aanwezig. De Raad overwoog dat herziening alleen mogelijk is op grond van nieuwe feiten of omstandigheden die voorheen niet bekend waren en die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden. Verzoekster bracht echter geen nieuw feit of omstandigheid naar voren, maar wilde slechts de eerdere uitspraak opnieuw laten beoordelen.
De Raad benadrukte dat het verzoek om herziening niet bedoeld is voor een hernieuwde discussie over de zaak zonder nieuwe feiten. Ook de inschatting van de gemachtigde van verweerder dat een voorziening voor huishoudelijke hulp vanaf november 2007 zou zijn toegekend als toen een aanvraag was gedaan, kwalificeert niet als een nieuw feit of omstandigheid.
Daarom werd het verzoek om herziening afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter H. Lagas in aanwezigheid van griffier M. Géron op 9 september 2021.
Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een nieuw feit of nieuwe omstandigheid.