ECLI:NL:CRVB:2021:198
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en vermindering bestuurlijke boete studiefinanciering wegens onjuiste woonplaats
Appellant ontving studiefinanciering als uitwonende student, maar de minister stelde na een huisbezoek vast dat hij niet op het BRP-adres woonde en herzag de financiering naar thuiswonend, met terugvordering van een bedrag. Tevens werd een bestuurlijke boete opgelegd wegens onjuiste woonplaatsregistratie.
De rechtbank oordeelde dat appellant ten tijde van het huisbezoek niet op het BRP-adres woonde, maar dat niet zonder redelijke twijfel kon worden aangenomen dat dit gedurende de gehele voorafgaande periode van 12 maanden het geval was. Daarom stelde de rechtbank de boete vast op de helft van de periode, zijnde € 615,34.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de bewijslast onvoldoende was en dat de boete te hoog was, maar de Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en wees op het verschil in bewijsmaatstaf tussen herziening en boete. De Raad oordeelde dat appellant de boete niet had onderbouwd en dat zijn argumenten niet tot vernietiging konden leiden.
De Raad constateerde een overschrijding van de redelijke termijn van meer dan zes maanden, geheel toe te rekenen aan de minister, en besloot de boete met 10% te verminderen tot € 553,81. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De boete wordt vastgesteld op € 553,81 na vermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn; overige beroepen worden afgewezen.