ECLI:NL:CRVB:2021:1944
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering aanvullende inkomensvoorziening wegens niet-melding onroerend goed
Appellant heeft in hoger beroep bezwaar gemaakt tegen de intrekking en terugvordering van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen door de Sociale verzekeringsbank (Svb). De grondslag voor de intrekking is het niet melden van onroerende zaken in Turkije, waardoor de inlichtingenverplichting werd geschonden.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Appellant stelde dat terugvordering zou leiden tot het ontbreken van financiële middelen om mantelzorg voor zijn partner in te schakelen. De Raad oordeelde dat dringende redenen alleen bestaan bij onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen die bijzonder en uitzonderlijk zijn, en dat appellant deze redenen aannemelijk moet maken.
De Raad constateerde dat appellant over vermogen in de vorm van onroerende zaken beschikt en weigert deze te verkopen. Bovendien beschermt de beslagvrije voet bij invordering de noodzakelijke bestaanskosten. Daarom zijn er geen dringende redenen om terugvordering achterwege te laten. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Gelderland wordt bevestigd en een kostenveroordeling wordt niet opgelegd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de aanvullende inkomensvoorziening worden bevestigd wegens het ontbreken van dringende redenen.