ECLI:NL:CRVB:2021:1908
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde kasstoringen en onduidelijke financiële situatie
Appellant ontving sinds februari 2013 bijstand op grond van de Participatiewet. Tijdens een heronderzoek in 2017 werden onregelmatigheden geconstateerd in bankafschriften, met frequente kasstortingen en bijschrijvingen die niet waren gemeld. Het college trok de bijstand in en vorderde de te veel ontvangen bedragen terug.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de stortingen leningen betroffen en dat terugvordering onaanvaardbare gevolgen zou hebben. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende duidelijkheid had verschaft over de omvang en herkomst van de contante bedragen en niet aannemelijk had gemaakt dat het leningen waren. De inlichtingenverplichting was geschonden.
De Raad bevestigde dat het college terecht de bijstand introk en terugvorderde, omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd wegens onvoldoende duidelijkheid over contant ontvangen bedragen en niet aannemelijk gemaakte leningen.