ECLI:NL:CRVB:2021:188
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was arbeidsongeschikt geworden na een bedrijfsongeval in 2007 en ontving een WGA-loonaanvullingsuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 16 juni 2018 omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellante tegen deze beslissing ongegrond en deze uitspraak werd in hoger beroep bevestigd door de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts zorgvuldig was en dat de beperkingen van appellante juist waren vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Nieuwe medische informatie die een ander oordeel zou rechtvaardigen, werd niet ingebracht. Ook was het UWV voldoende gemotiveerd in de keuze van functies waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd.
Appellante voerde aan dat haar beperkingen werden onderschat en dat de arbeidsdeskundige geen juist beeld had, maar deze stellingen werden niet onderbouwd. Het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige werd afgewezen. Er was geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn, zodat een schadevergoeding wegens termijnoverschrijding werd afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld onder 35% en wijst het hoger beroep af.