ECLI:NL:CRVB:2021:1817
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen UWV-besluit over mate van arbeidsongeschiktheid en resterende verdiencapaciteit
Appellante, laatstelijk werkzaam als cateringmedewerkster, was sinds 2008 in aanmerking gekomen voor een WGA-uitkering. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid en de resterende verdiencapaciteit diverse malen vast en wijzigde deze in de loop van de jaren, waarbij meerdere bezwaren en beroepen door appellante werden ingesteld. In 2018 verklaarde het UWV het bezwaar van appellante ongegrond en stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 61,57% met een resterende verdiencapaciteit van €1.039,11 per maand.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, maar appellante stelde in hoger beroep dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat haar beperkingen onderschat waren. Het UWV bracht vervolgens een nieuw arbeidskundig rapport in, wat leidde tot een gewijzigde mate van arbeidsongeschiktheid van 63,01% per 27 november 2017, zonder wijziging in de arbeidsongeschiktheidsklasse, maar met een lagere resterende verdiencapaciteit.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig heeft uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante juist zijn vastgesteld. Het beroep tegen het besluit van 4 oktober 2018 wordt gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, terwijl het beroep tegen het gewijzigde besluit van 5 november 2019 wordt afgewezen. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 4 oktober 2018 wordt gegrond verklaard en vernietigd, het beroep tegen het besluit van 5 november 2019 wordt ongegrond verklaard, en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante.