Uitspraak
19 4825 BBZ
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant exploiteerde een eenmanszaak en ontving in 2017 bijstand in de vorm van een renteloze lening op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het college stelde het recht op bijstand definitief vast en vorderde de lening van € 11.524,90 volledig terug omdat het netto-inkomen over 2017 hoger was dan de jaarnorm.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogden appellanten dat bij de berekening van het netto-inkomen rekening had moeten worden gehouden met schuldsaneringskosten en dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien.
De Raad oordeelde dat voor de berekening van het netto-inkomen moet worden uitgegaan van de nettowinst van de onderneming zoals in de belastingaangifte is opgegeven, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Appellanten konden deze bijzondere omstandigheden niet aannemelijk maken. Schuldsaneringskosten betreffen de besteding van winst en zijn niet relevant voor de winstvaststelling.
Verder zijn de aangevoerde dringende redenen niet het gevolg van de terugvordering en voldoen zij niet aan de criteria voor het afzien van terugvordering. De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de volledige terugvordering van de renteloze lening wordt bevestigd.