ECLI:NL:CRVB:2021:1768
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet duurzaam gescheiden leven van echtgenoten
Appellante ontving bijstand als alleenstaande met toepassing van de kostendelersnorm sinds 2010. Na een melding dat zij samenwoonde met haar echtgenoot X, die sinds 1988 met haar was gehuwd, voerde de gemeente Rotterdam een onderzoek uit. Dit onderzoek toonde aan dat X regelmatig toegang had tot de woning van appellante en dat er administratieve en medische documenten van X in de woning aanwezig waren.
Het college trok de bijstand per 4 juli 2018 in omdat appellante niet duurzaam gescheiden leefde van X, wat betekent dat zij niet als alleenstaande kon worden aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat X alleen voor contact met de kinderen in de woning was en dat zij elkaar slechts incidenteel hielpen.
De Raad oordeelde dat uit de feiten bleek dat appellante en X niet ieder een eigen leven leidden alsof zij niet gehuwd waren en dat het contact tussen hen verder ging dan alleen de kinderen. De motieven van het contact zijn irrelevant voor de beoordeling. Appellante had haar inlichtingenplicht geschonden door dit niet te melden, waardoor de intrekking van de bijstand terecht was. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens het niet duurzaam gescheiden leven van appellante en haar echtgenoot wordt bevestigd.