Uitspraak
19.5265 WW
OVERWEGINGEN
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante had na beëindiging van een vermeend dienstverband met een BV een WW-uitkering aangevraagd, gevolgd door ZW- en WIA-uitkeringen. Het UWV stelde na onderzoek dat er sprake was van een gefingeerd dienstverband en trok de uitkeringen met terugwerkende kracht in, waarna het onverschuldigd betaalde bedragen terugvorderde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het onderzoek van het UWV als zorgvuldig werd beoordeeld en werd vastgesteld dat appellante geen werkzaamheden voor de BV had verricht. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij wel een privaatrechtelijke dienstbetrekking had en dat het onderzoek ondeugdelijk was, mede omdat haar bankgegevens onrechtmatig waren verkregen.
De Raad oordeelde dat het rechtstreeks opvragen van bankafschriften zonder medeweten van appellante in strijd was met het recht op privacy en het subsidiariteitsbeginsel, wat leidde tot bewijsuitsluiting van die gegevens. Dit had echter geen gevolgen voor het bestreden besluit, aangezien het niet op die gegevens was gebaseerd.
De Raad bevestigde dat het UWV aannemelijk had gemaakt dat geen dienstbetrekking bestond, mede vanwege het ontbreken van concrete en verifieerbare bewijsstukken van appellante. Ook de door appellante overgelegde verklaringen werden onvoldoende geacht. De terugvordering van de uitkeringen werd niet onterecht geacht, en er waren geen dringende redenen om hiervan af te zien.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de intrekking van de uitkeringen en de terugvordering van de bedragen, en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking van de WW-, ZW- en WIA-uitkeringen en de terugvordering worden bevestigd wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.